Derck Hulshoff Globalisering, het ultieme doel?
Als aardappelteler ervaar ik elke dag de enorme veranderingen in de wereld rondom ons. Waar we vroeger onze aardappelen aan fabrieken in de buurt leverden, waar ze tot friet werden gemaakt, zien we nu Europese friet over de hele wereld verscheept worden. Onze producten bereiken verre markten, variërend van de Filipijnen tot het Midden-Oosten en Oceanië. Aan de ene kant is dit een teken van globalisering, maar aan de andere kant laat het zien dat Europa een deel van zijn vooraanstaande positie verliest.
Wereldwijd, vooral in India en China, is er een enorme toename van frietfabrieken waarneembaar. Jarenlang fungeerde Europa (en de VS) als de onbetwiste leveranciers van diepgevroren friet. Die positie wordt momenteel bedreigd door landen die tegen lagere kosten kunnen produceren. De snelheid waarmee India zijn capaciteit vergroot, is werkelijk indrukwekkend. De interne vraag naar westers comfortfood neemt niet alleen aanzienlijk toe, maar deze landen focussen ook duidelijk op de exportmarkten. Het draait niet alleen om lagere arbeidskosten of energieprijzen; er wordt aanzienlijk geïnvesteerd in hypermoderne en efficiënte productiefaciliteiten. China volgt deze route al geruime tijd, observeert, kopieert en bouwt in een tempo dat voor ons, Europa, nauwelijks bij te houden is.
Het speelveld is aanzienlijk gewijzigd. In tegenstelling tot strikte regelgeving in Europa, hoge energiekosten en daardoor verminderde marges, genieten India en China meer vrijheid om te ondernemen. Besluiten worden daar snel genomen, fabrieken worden in recordtempo opgericht en volledig ingezet op grote hoeveelheden tegen concurrerende prijzen. Dit trekt de markten in het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië bijzonder aan: een voortdurende vraag naar betaalbare friet.
De export van Europese friet naar deze verre landen is niet langer een vanzelfsprekendheid. India en China bieden soortgelijke producten aan voor een lagere prijs. De concurrentie is niet langer afkomstig uit een buurland, maar uit een ander continent, en vormt daarmee een bedreiging voor niet alleen de Nederlandse, maar de gehele Europese markt.
Wat deze situatie nog ingewikkelder maakt, is dat bepaalde van onze eigen Europese industriële spelers, zoals Aviko, zelf fabrieken in deze groeilanden oprichten. Hoewel dit op korte termijn misschien commercieel aantrekkelijk lijkt, ontstaat er een tegenstrijdige situatie waarin de Europese tak indirect concurreert met zijn eigen wereldwijde groei. Misschien is het nodig om binnen onze sector de langetermijnstrategie te herzien.
De vraag die ons bezighoudt, is: hoe kunnen we hiermee omgaan? Als Europa willen we onze positie handhaven, maar dat vereist meer dan alleen aanwezigheid. Het vereist innovatie, samenwerking en specifieke investeringen in een duurzame keten. Europa beschikt over verschillende zeer sterke mogelijkheden die we volledig moeten benutten. Onze uitstekende frietkwaliteit wordt wereldwijd erkend, wat voortkomt uit tientallen jaren aan kennis, vakmanschap en geavanceerde teelt- en verwerkingstechnieken. De fundamenten hiervoor zijn gebaseerd op de aardappel, maar de verwerking tot friet is eveneens van groot belang. Daarnaast lopen we voorop in duurzame landbouwmethoden en milieuvriendelijke productie, wat steeds meer aandacht krijgt van de consument en een cruciale rol kan spelen op de wereldmarkt voor friet. Laten we de natuurlijke factoren niet over het hoofd zien: het aangename klimaat en de beschikbaarheid van het beste pootgoed zijn cruciaal voor de vervaardiging van hoogwaardige aardappelen, en vormen daarmee de fundamenten voor onze kwaliteitsfriet. Dit is een voordeel dat niet gemakkelijk te kopiëren is.
Wanneer we deze sterke kanten blijven ontwikkelen en inzetten, kunnen we onze concurrentiepositie handhaven en zelfs verbeteren. Dit vraagt erom dat we als sector, van telers tot frietproducenten, samenwerken en bereid zijn om te investeren in nieuwe technologieën, efficiëntere processen en verdere verduurzaming. Enkel op die manier kunnen we voorkomen dat we alleen maar toeschouwer worden van een spel dat we zelf hebben gestart. Globalisering.
Het klinkt misschien cru, maar als de aardappelprijs werkelijk zo laag blijft als nu, dan zal er weinig animo zijn om volgend seizoen meer hectares te poten. Tenzij het vanaf vandaag niet meer regent in Europa, dat zou de aardappelprijs nog enigszins kunnen redden. Het weer blijft toch altijd nog koopman.
Ik wens u allen een goed groeiseizoen.
Derck Hulshoff, Groenlo